31-03-09

Weg met de digitale kloof

Net voor de aanvang van de digitale week kreeg ik een belangrijk document in mijn mailbox. Het pdfje draagt de titel “Aanbevelingen inzake digitale kloof voor de Vlaamse regering.” Dit memorandum tekent beleidslijnen uit voor de nieuwe Vlaamse regering. Stef Steyaert schetst in het voorwoord een confronterend beeld. Zij is 15, zijn dochter. Op een doordeweekse avond, in kleermakerszit in de zetel, een half oog op ‘Friends’. Laptop op de schoot met open vensters: haar Facebook, Netlog en MSN, haar mail Haar GSM ligt links en voortdurend hanengekraai dat het volgende sms’je aankondigt... De digitale wereld heeft geen geheimen voor haar. En dan het beeld van een vrouw van rond de 40, over haar dochter die pc en internet nodig heeft en geldtekort. Schoolcomputers bieden geen oplossing. Hoe combineer je dat met de bus en je drie kleinere broers en zussen? En de pc’s in de bieb zijn voortdurend in gebruik. Beide meisjes zijn geboren na 1990: digital natives. Het meisje van 15 zal weinig problemen ondervinden in de toekomst: studeren, solliciteren, werk vinden. Voor het meisje van dertien ligt het anders. Nu is het zo dat een steeds kleinere groep mensen niet over een pc beschikt en geen toegang tot internet heeft. Even dachten we dat we er waren, dat de kloof gedicht was. Ja? Maar… het is niet omdat je een computer hebt, dat je die kan gebruiken. Het is niet omdat steeds meer mensen een PC bezitten dat het probleem opgelost is. De kloof verschuift van bezit naar gebruik. Er ontstaat een kloof tussen wie ICT inzet voor het verbeteren van zijn positie en wie dat niet kan. Hier gaat het om het verwerven van digitale vaardigheden: ict-vaardigheden, informatievaardigheden en sociale vaardigheden. Deze ict-uitsluiting zal de reden zijn voor een maatschappelijke uitsluiting, belangrijker dan de kleur van je huid, je geslacht of je leeftijd, stelt het memorandum. Ik wil het begrip digitale kloof problematiseren. Het begrip heeft manko’s die leiden tot foute oplossingen.

Waar komt de digitale kloof vandaan?

Maar eerst vragen we ons af hoe is deze metafoor tot stand kwam. Het beeld van de digitale kloof is een ruimtelijk beeld dat perfect aansluit op het idee dat internet een plaats is. Dat beeld ontstond eind 1993 toen Al Gore ‘the informationsuperhighway’ voorstelde. Het beeld verwijst naar zijn vader die echte snelwegen aanlegde. Bovendien zorgde die aanleg voor welvaart in de zilveren jaren vijftig en de gouden jaren zestig. Armoede zou binnenkort de wereld uit zijn. Gore gebruikte zijn metafoor om een gelijkaardige economische heropleving te suggereren. Sindsdien staat het internetlexicon bol van ruimtelijke concepten: een web, een net... Castells heeft het over De melkweg van het internet, Maurice De Hond over De vijfde dimensie. Jos De Mul spreekt van een cyberodyssee. In de begindagen van de cyberwereld worden recordbedragen uitgegeven aan domeinnamen en sites krijgen de status van schaarse bouwgrond. Het leek op het 19de eeuwse Parijs van stadsarchitect Hausmann die de stad opnieuw verkavelt: armoede verdwijnt uit het straatbeeld, of was dat alleen maar schijn? Cyberarchitecten lieten zich royaal financieren om de bouwterreinen van domeinen, sites, homes  en rooms te voorzien. De werf kan je niet betreden, aan de buitenkant hangt een bordje “under construction.” En zeg nu zelf, als we het dan toch moeten hebben over uitsluiting en kansarmoede, welk ruimtelijk beeld past er beter dan de digitale kloof?

Misverstanden, hoezo?

Het beeld roept misverstanden in het leven. Die misverstanden leiden bijgevolg tot foute oplossingen of strategieën die niet werken. Eerdere pogingen om zielige groepen aan de pc te zetten mislukten, omdat het uitgangspunt niet deugde. Welke zijn die misverstanden? Ik had de laatste jaren het geluk om mensen te leren kennen die wonen, leven en werken in de onderkant van onze samenleving. We noemen ze arm, kansarm, ongeletterd… we hebben er benamingen voor bedacht. Mensen in armoede gebruiken technologie op verschillende wijze. Er is een groep die nooit beroep doet op nieuwe technologieën, we zien een groep selectieve gebruikers en een groep gesofisticeerde gebruikers. Hun getuigenissen tonen dat en verschillen in wezen niet van andere groepen: je vindt deze driedeling van negatie tot technologische omarming bij vrijwel alle categorieën. Ja, zelfs bij docenten in het hoger onderwijs.  Als je weet dat 15 tot 18 procent van de Vlamingen laaggeletterd is, kan dit uiteraard niet alleen de armen treffen. Ik ken een zeer welgesteld gezin, de kinderen komen niets tekort. Maar in het gezin komt geen computer binnen. “We zijn daar tegen, meneer.”  Het eerste misverstand is bij deze uit de weg geruimd: digitale ongeletterdheid vinden we overal. In het cyborgmanifest dat nu bijna 20 jaar oud is, toont Donna Haraway dat tweedelingen (jong en oud, arm en rijk, blank en zwart, man en vrouw, leerkracht en leerling, hulpvrager en hulpverlener) thuishoren in een industrieel tijdperk en aldus achterhaald zijn in de informatiesamenleving. De kunst van Haraway bestond er in om een nieuw en emancipatorisch perspectief te creëren. Het begrip ‘digitale kloof’ behoort ook tot het oude paradigma en laat zich niet zien in de tegenstellingen man/vrouw, oud/jong.  Vrouwen en senioren behoren niet tot de voorhoede maar zijn bezig aan een inhaalbeweging. Nog een misverstand: in de meeste discussies over de digitale kloof blijft het ontwikkelingsproces van de technologie buiten schot. De geschiedenis toont dat early adopters altijd jong, wit, man en hoog opgeleid zijn. Na verloop van tijd worden andere groepen bereikt en is er een fractie achterblijvers. Hier speelt een fundamenteler probleem, namelijk een eenzijdig gebruikersbeeld in de ontwerpfase. Uitsluiting begint al in een vroeg stadium. Daardoor wordt het probleem bij de slachtoffers gelegd die een inhaalbeweging moeten doen.

Cultuur in plaats van techniek

Mensen moeten zich niet aan de techniek aanpassen, maar omgekeerd, de technologie moet zich aan de mens aanpassen. Dit wil zeggen dat bijscholingen op maat nodig zijn, veel eer dan universele toegangsprogramma’s. Initiatieven moeten zich dus concentreren op inhoud en netwerken. Culturele doelstellingen zijn wenselijker dan technologische instructies. Veel weerstand of drempelvrees richt zich niet tegen vernieuwingen, maar tegen de maatschappelijke betekenis van de innovatie. Uitsluiting is vaak een culturele kwestie, soms een financiële of cognitieve. Achterblijvers op de digitale snelweg zijn meer gebaat met een aangepast vervoermiddel dan met een luxe-auto met de nieuwste snufje. Met andere woorden zij zijn gebaat met een op hun situatie toegesneden kennismaking met de verrassende, vrolijke en alledaagse mogelijkheden. Vergeet de bloedserieuze inhaal of opfriscursus in het kader van levenslang leren.

Behalve de negatieve formulering, suggereert de digitale kloof de klassieke tweedeling die in een vorig tijdperk thuishoort. Alleen ingenieurs of bruggenbouwers weten de kloof tussen de information-haves en information have-nots te overbruggen. Dit beeld klopt niet, we hebben geen specialisten nodig maar communicatie, interactie en vormingswerk. Bovendien is het geen zaak van eenrichtingscommunicatie: de docent, de vormingswerker is voor een stuk zijn autoriteit kwijt en dient vooral te luisteren en in te spelen waar hij kan. De kloof suggereert een statisch karakter maar de bestaande sociale ongelijkheid (klasse, leeftijd, sekse en etniciteit) wordt niet weerspiegelt op het net. Digitale vaardigheden bouw je op lange termijn op.  Een digitale kloof dicht je dus niet even met een financiële ingreep of een cursus. Kortom het is nodig dat we een nieuw beeld, een nieuwe metafoor zoeken voor de digitale ongelijkheid. Laat ons even zoeken…

Een nieuwe metafoor

Recentelijk vergeleken Angelo Vermeulen en Antoon Van den Braembussche het vertoeven in de netwerkruimte met het flaneren. De stadsbeleving lijkt op een internetervaring… Het doelloze rondslenteren van uitgesproken flaneurs zoals Charles Baudelaire, Oscar Wilde en André Gide lijkt op mijn en uw (vrij burgerlijke)  internetgedrag. Flaneren was in de negentiende eeuw een nieuwe omgangsvorm in een nieuwe publieke ruimte die het onverwachte en de verrassing centraal stelde. Van Walter Benjamin weten we dat de flaneur geen toerist is, maar iemand die zich in zijn eigen stad interesseert en alle monumenten links laat liggen. Vermeulen en Van den Braembussche gaven hun boek de toepasselijke titel Baudelaire in cyberspace. De nieuwe stadsbewoner, de flaneur wordt in het midden van de negentiende eeuw geboren: pal in het centrum van de industriële revolutie. Net als de internetter, pal in het centrum van de digitale revolutie. Zijn gedrag typeert de internettende mens. Net zoals de stad het gedrag van de mens verandert, dringt nu de digitalisering diep door in het dagelijkse denken en doen. Een praatje, een roddel, een groet, of ja, zelfs flirt of een knipoog naar een onbekende. In cyberspace speelt het maatschappelijke en het persoonlijke leven af. De flaneur is de acteur of de toeschouwer bij het theater van de straat. Probleem is zijn engagement: de flaneur engageert zich niet. Hij is hoogstens gechoqueerd door het beeld van de arme straatkinderen. De flaneur is een ietwat eenzame, onthechte figuur die past in een geniecultuur en gedistingeerd en op afstand blijft. Het flaneren is een spel tussen de oude en de nieuwe tijd, een duik in de anonimiteit van de menigte, en dan weer een terugval in de geborgenheid van de eigen stand. De vervreemding van de stad doet de flaneur met verwondering kijken.

Het e-ngagement van de tsjoolder

Maar de flaneur was een overgangsfiguur. De flaneur die het einde van de negentiende eeuw kenmerkt, wordt in de twintigste eeuw een stadsdoler. Dat beeld is ontleend aan Guy Debord.  De doler, de tsjoolder is de buurtwerker die de grootsteedse vervreemding probeert te kaderen, hij wandelt niet alleen, hij wandelt in groep, hij is anders dan de flaneur. Hij is sociaal betrokken. De stadsdoler is uit op gemeenschapszin en connectiviteit. In de toekomst is het ondenkbaar dat je in je eentje de klus klaart. Bouwen, ook in cyberspace is een groepsgebeuren. De game-industrie spreekt van het kathedraalmodel: zoveel stille zwoegers realiseren iets groots. De doler weet dat de stadsverkenningen best vertrekken vanuit de behoefte van de digibeet zelf: enkel via zijn fantasie, zijn goesting, zijn interesse kan de doler aansluiting vinden en de digibeet instrumenten leren kennen die hem weerbaarder maken. We spreken niet van onderwijs, maar van vormingswerk, opbouwwerk en buurtwerk. Met kleine kinderen ga je spelen in een parkje en eenmaal ze het parkje gewoon zijn kijk je van op een bankje toe. Senioren leer je het stadsplan, het verkeersreglement en het openbaar vervoer kennen. Zo kunnen ze zelf op verkenning. Dat zijn informatievaardigheden. Anderen leer je beleefd te zijn: je leert hen hoe ze de weg kunnen vragen of je legt ze uit dat je bij het liften niet in elke auto stapt. Dat zijn sociale vaardigheden. Kortom leer ze e-vaardig zijn: het is zowel een intellectuele als een sociale bezigheid. Dit betekent een verschuiving van de discussie in termen van gelijkheid en universele toegang naar een discussie in termen van diversiteit, vaardigheden, accent op de inhoud en de gebruikspraktijken. De consequentie is dat we praten over een nieuw publiek domein.  Digitalekloofinitiatieven (om een laatste keer het oude woord te gebruiken) moeten zich niet richten tot doelgroepen maar naar omgevingen en de mensen hierin. Niet voor niets pleit het memorandum voor een lage drempel en een vrijblijvende manier om kennis te maken met ICT.

E-mancipatie

Er is nood aan een E-mancipatie methodiek die inspeelt op individuele behoeften en aansluit bij de leefwereld van de doelgroepen en organisaties. Als besluit kan ik de woorden van Stef Steyaert alleen maar herhalen. Actueler kan niet. Het moet gezegd, de overheid zet stappen, investeert in openbare computerruimten, in de sociale economie om goedkope pc’s op de markt te brengen, en laagdrempelige opleidingen. Maar te weinig. In deze crisistijd staan veel pijnpunten te dringen voor een plaats bij de prioriteiten. E-mancipatie – en dat is het nieuwe woord dat veel beter de lading dekt - moet in die top. Technologie bezit de potentie om vooruit te helpen: het vergroot de kans op leren en werk, het doorbreekt sociaal isolement, krikt je eigenwaarde op enzovoort. Laten we naast de school en het gezin vooral de derde plek niet vergeten. De buurt en de vereniging (zowel reëel als virtueel) zijn dé sociale plekken bij uitstek die digitale uitsluiting voorkomen. Daar vinden we mensen en groepen die niet flaneren, maar zich E-ngageren. De digitale kloof is dood. Lang leve de kloof!

---

Selectieve bibliografie

           LINC & SPK. (2009). Aanbevelingen inzake digitale kloof voor de Vlaamse regering.

          Frissen V., Cultuur als confrontatie. De mythe van de digitale kloof. http://sadan.wdfiles.com/local--files/2-digitale-kloof/Mythe_digitale_kloof.pdf

           Vermeulen, A. & Van den Braembussche, A.  (2008). Baudelaire in cyberspace. http://www.angelovermeulen.net/data/vault/VandenBraembussche&Vermeulen_BiC_Dialoog5.pdf: VUB-Press. Verder werken de volgende websites de metafoor verder uit: http://www.sociology.mmu.ac.uk/vms/vccc/s1/s1_2/printer.php, http://www.ceramicstoday.com/articles/050498.htm, http://www.groene.nl/2001/0145/sp_spektakel.html en http://www.raynbird.com/essays/Passage_Flaneur.html.

          Laermans, R. (1999). De stad als sociaal kunstwerk: een sociologische visie. In: Raymaekers, B. e.a. (Red.). De mens en zijn wereld morgen. Leuven: Universitaire Pers Leuven.

          Loeckx, A. (1999). De architectuur van de eenentwintigste-eeuwse stad. Plaatsen voor plaatsloosheid.  In: Raymaekers, B. e.a. (Red.). De mens en zijn wereld morgen. Leuven: Universitaire Pers Leuven.

          Zie ook: http://sadan.wikidot.com/2-digitale-kloof

 

10:34 Gepost door Benedict Wydooghe in a_Algemeen/E-cultuur | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |

12-03-09

Zestien doden bij schietpartij op Duitse school

Al een tijd geleden nam ik me voor om niet meer op het gewelddebat in te gaan. De discussie is gepasseerd, er is geen verband tussen geweld in games en echt geweld. Wat de media ook beweren moge. Deze morgen op de mail...

"Meneer Wydooghe, naar aanleiding van de schietpartij in Duitsland willen wij graag morgen in de karnt een opiniestukje plaatsen over games en geweld. Ik had hierover net contact met je collega Stefaan Pleysier, maar hij heeft absoluut geen tijd om vandaag te schrijven. Kan u stukje maken (van 4000 à 5000 tekens)? Laat u snel iets weten? Dank en groet."

De verleiding is groot nu. Een collega uit de nood helpen? En iets publiceren in een krant met een naam? Tussen mijn lessen in begin ik te tikken. De deadline is 19 uur. Dat moet ik halen. Zo, hier komt het resultaat. Keurig doorgestuurd en op tijd...

Op momenten zoals deze linken wetenschappers en journalisten graag reëel en virtueel geweld. Daarbij duiden ze niet gewoon het verband. Ze suggereren causaliteit. Het thema actualiseert zich helaas regelmatig en steeds duikt die ene vraag op. Leidt virtueel geweld tot imitatie? Velen vinden gamegeweld onverantwoord en hekelen de vervagende de grens tussen fictie en werkelijkheid. Onderzoek naar geweld in de populaire cultuur laat zich ruwweg in drie delen: zij die verwachten dat geweld een negatieve invloed heeft op jongeren, zij die beloven dat fictief geweld reëel geweld reduceert en tenslotte zij die geen verband zien. Conclusie? Media-effecten van geweld zijn (voor zover ze er zijn) noch eenduidig, noch uitgesproken. Naast elke studie die de negatieve invloed aantoont, ligt er één die het tegenovergestelde beweert.

Nu, tijdens het afgelopen decennium overspoelde een golf geweldgames de beeldbuizen op de kinder- en jeugdkamers. De fascinatie en verheerlijking van geweld doet de geciviliseerde mens wenkbrauwen fronsen. De vraag ‘hoe het komt dat agressie de laatste jaren een prominente rol speelt’ is echter een slechte vraag. Ze reduceert het historisch bewustzijn tot het laatste decennium en laat geen vergelijkingen met een verder verleden toe. Niet de diagnose van de hedendaagse samenleving is verhelderend maar de détour naar vergelijkbare momenten leidt naar conclusies. Of geweld toeneemt is niet eenduidig te beantwoorden. Behalve dat het fenomeen veel aandacht krijgt, is er niets dat er op een toename van individuele agressie wijst. Wel ontwaren we individuen die sterk op zichzelf teruggeworpen worden. De overdreven nadruk op dit killergamedebat camoufleert waar het werkelijk om gaat en vermijdt een fundamentele discussie waarvan de conclusies erg pijnlijk kunnen zijn. Het voorval confronteert ons met onze kwetsbaarheid, het toont dat onze maatschappij niet altijd zo geciviliseerd is als we willen, dat we onze kinderen niet altijd meegeven wat het beste voor hen is, het illustreert de machteloosheid van de opvoeder, het gezin, de school, ja het confronteert ons met het feit dat onze hoogtechnologische maatschappij een duistere kant heeft. Diverse ideeënhistorici vergelijken dit tijdgewricht met de belle époque. Net zoals het einde van de negentiende eeuw is dit een opwindende en beloftevolle tijd, die tegelijk bedreigend en onrustig is. Het is als dansen op de vulkaan: het ondergraven van zekerheden opent perspectieven, maar veroorzaakt een verwarrende en bedwelmende complexiteit. De ambivalentie van het leven in deze tijden van ‘riskante vrijheid’ resulteert in het paradoxaal verlangen naar een vitale vrijheid onder veilige condities. Het lijkt in sterke mate op het fin de siècle, een decadente vlucht uit de wereld, teleurgesteld door het mislukken van de grote verhalen. Het enige dat de decadenten restte was de zwarte esthetica, de schoonheid van de dood in een perfect onderhouden tuin van Narcissus. Net zoals de kunst een eeuw geleden, drukken games de versnelde polsslag van het postmoderne leven uit en benutten ze net als toen al dan niet kritiekloos de verworvenheden van de technologie. In die context dienen we de vraag te stellen of games zoals Counterstrike, Carmageddon of Grand Theft Auto wel zo fundamenteel nieuw zijn als ze pretenderen. Het geweld om het geweld, het loskoppelen van het geweld met een oorzaak en een gevolg vindt zijn wortels in dat satanische fin de siècle, met het beeld van de gespleten persoonlijkheid Dr. Jekyll & Mr. Hyde en de oorlogszuchtige Fillipo Marinetti op kop.

Het is duidelijk dat het zinloos is om de blootstelling aan agressieve videospelen te vermijden. Of verbeeld geweld echt geweld oproept en het eerste causaal het tweede bepaalt, is een verkeerd, oninteressant en naïef uitgangspunt. In een wereld waarin geweld überhaupt kwantitatief en intensief aanwezig is, is het raadzaam het (te leren) kennen, veelmeer dan het op afstand te houden. Counterstrike is op dit moment de buitenkant van een diepe maatschappelijke angst. Die angst is tot voorwerp van reflectie te maken kan helpen. De dialoog in het gezin en in de maatschappij is geschikt om clichés te doorprikken, om wat je ziet in perspectief te plaatsen, te decoderen, te ontmijnen en dus een middel om op te voeden en tot een gezonde burgerzin te komen, in plaats van je eigen gezinswoning om te bouwen tot een legaal wapenarsenaal.

---

Antwoord van De Standaard? "Ik vrees dat we uw tekst niet kunnen publiceren. Hij is te onsamenhangend en soms gewoon opbegrijpelijk. Misschien hebben we u te snel laten schrijven. Onze excuses."

Zo, incident gesloten.

En, wat hebben we geleerd? Misschien eens proberen bij DM als reactie op de gruwelijk correcte commentaar van Yves De Smet die zich afvraag hoe je dit oplost. Samengevat stelt hij: 1 het is ondoenbaar en onwenselijk om iedere school te laten bewaken door veiligheidsmensen. Evenmin kun je een proactief sociaal netwerk bouwen dat ontdekt bij wie dit gevaar bestaat. En evenmin gaan we morgen een samenleving maken met een empathie die probleemgevallen detecteert. "Eigenlijk is de gruwelijke vaststelling dat we er - zeker op korte termijn - vrijwel niets aan kunnen doen. En dat we het dus opnieuw zullen meemaken."

Eén dag later: het artikel staat integraal op pagina 21 van De Morgen (zaterdag 14 maart 2009). Nog een dag later neemt De Zondag fragmenten over en kondigt hierbij de studiedag Van digitale flirt tot cyberstalking aan. Waren wij dan werkelijk zo onbegrijpbaar?

Verder lezen: www.telegraaf.nl/buitenland/3448080/__Schietpartij_op_Dui....

 

21:41 Gepost door Benedict Wydooghe in b_Bezorgde ouders | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |